Casa Di Mauro

Als men bij de Slimste Mens ter Wereld trefwoorden zou moeten bedenken om Kontich te beschrijven, ben ik er honderd procent van overtuigd dat de meeste mensen bevestigend zouden knikken bij het horen van ‘het Smikkelboetiekske’, Marthe de Pillecyn, Kontich jaarmarkt en café de Wipschutter. Of ze allemaal juist zouden gerekend worden, laat ik hier even in het midden, maar het beschrijft Kontich ten voeten uit. Drie jaar geleden is daar nog een term bijgekomen die, noteer het al bij voorbaat Erik, zonder uitzondering tien seconden of meer zou moeten opleveren; namelijk Casa di Mauro.

Het syndroom van Costello

We gaan even terug naar 1998, toen de Slimste Mens nog niet bestond maar de wereld wel net een Mauro rijker was. Tijdens de zwangerschap van Lieve was er niets aan de hand maar van zodra Mauro het levenslicht zag, werd duidelijk dat ze geen normale baby was. Na vijf maanden kwam dan ook het verdict: Het syndroom van Costello.

Kinderen met deze zeldzame, genetische afwijking zijn motorisch achter, hebben een ontwikkelingsachterstand en een overgevoeligheid aan de mond waardoor eten heel moeilijk gaat. Lieve en haar man bleven echter niet bij de pakken zitten, Mauro ging overal mee naartoe en twee jaar later kwam Nathan gezond en wel ter wereld.

Dat ze het makkelijk doen lijken, staat buiten kijf. Mauro is duidelijk gelukkig, lacht mensen soms vierkant uit en komt als trouwe supporter mee naar de wedstrijden van haar kleine, in vele opzichten ook grote broer. Dat het niet makkelijk is, en nooit is geweest, bombardeert Lieve instant tot de sterkste mens ter wereld. Vier jaar lang lag Mauro voor de helft van de tijd in het ziekenhuis en moest ze eten via een voedingspomp die ook ’s nachts aan en uit moest gezet worden.

‘Wat een ander als moeilijk ziet, is voor ons “normaal”, in die zin dat we geen andere keuze hebben. Een meisje van 18 jaar gaat normaal weg met haar vrienden, maar wij moeten Mauro altijd en overal meenemen. Dat houdt me soms tegen om ergens naartoe te gaan. Als Mauro een weekje weg is, op kamp of op zeeklassen, dan besef ik wat ik allemaal doe voor haar en dan kan ik wel even genieten van de rust en vrije tijd. Maar als ze terug thuis is, dan doen we terug verder als voordien. Zagen en klagen helpt niet. Mauro zal er wel voor zorgen dat er een lach op ons gezicht verschijnt.’

Woefke

 ‘Woefke’ is sinds 2008 de knuffelhond van Mauro. Veel kinderen nemen hun knuffel graag overal mee naartoe en Mauro is hierop geen uitzondering. Maar voor de familie Dupon is Woefke meer dan een knuffelhond. Mauro’s woordenschat beperkt zich tot vijftig woorden, maar ze verstaat heel veel en wil ook veel vertellen.

‘Sinds ze Woefke heeft, praat ze meer en is ze veel communicatiever. Via hem praat ze met ons en wij doen soms hetzelfde. Als ze iets niet wil doen, vragen we het via Woefke’. Dat Mauro een dame met pit is, druipt eraf. Ze lacht veel, heeft humor en een eigen sterk karakter. ‘Als we iets vragen om te doen, zegt ze meestal meteen ‘neen’. ‘Madame Non’ noemen we haar weleens. Dat duurt echter niet lang en snel daarna schiet ze in actie.’

Casa Di Mauro

Hoeveel grappige en leuke verhalen er ook over Mauro te vertellen zijn, de problematiek blijft bestaan. Mauro kan niet zelfstandig wonen. Momenteel gaat ze nog naar een aangepaste school, maar van zodra ze 21 jaar is, moet er een andere oplossing uit de bus komen. Lieve vertelt dat veel ouders dan met hun rug tegen de muur staan.

‘Ik heb altijd gedacht: ik koop een huis naast het onze voor Mauro, dan heb ik ze altijd bij mij. Na een bezoek aan projecten die mensen met een beperking laten samenwonen, besefte ik plots dat ik Mauro niet altijd bij mij hoef te houden. Ze moet de kans krijgen om bij soortgenoten te zijn.’ De droom was er, maar moest enkel nog gerealiseerd worden.

In de sportclub van zoon Nathan, kwam Lieve in contact met een andere mama, een opvoedster die jaren gewerkt had in een instelling voor personen met een beperking. Zij speelde al langer met het idee dat mensen met een beperking een echte thuis moesten kunnen krijgen. It takes two to make a thing go right, zongen Rob Base en D.J. E-Z Rock, Petra en Lieve gaven deze woorden betekenis.

Vandaag die dag fietsen verschillende zondagscoureurs wekelijks langs een buitengewone leefboerderij voor buitengewone mensen. Casa di Mauro, een naam die geen verdere uitleg meer hoeft, zorgt ervoor dat 9 volwassenen met een beperking samenleven onder 1 dak. Mauro zelf woont er nog niet, maar is in 2019 na haar schoolcarrière meer dan welkom om haar naam alle eer aan te doen.

Het is gebeurd, zo veel kunnen we wel zeggen.

Casa Di Mauro

Een ode aan het dialect

Talen, het interesseert me. Als sinds de eerste noten van ‘Fanfreluche est une poupée’ in het vijfde leerjaar was ik verkocht. Ondanks het jammerlijke feit dat de Romaanse talen niet bepaald mijn talent bleken te zijn en mijn droombeeld van mezelf al kaasetend onder de eifeltoren met een baguettedragende Jean-Pièrre tamelijk snel volledig werd doorprikt, beantwoordden de Germaanse talen gelukkig wel mijn liefde. ‘Gutentag worstdragende Klaus’ klinkt duizend keer minder romantisch, maar goed, roeien met de riemen die je hebt, denk ik dan. Enfin, na verschillende jaren in het secundair onderwijs vol zinsontleding, poëzie en dt-regels en mijn coming-out eind vijfde middelbaar (want de eerste vier jaar moest ik- denkend aan mijn imago- natuurlijk doen alsof ik ook walgde van werkwoordelijke gezegdes, dictees en de Boem Paukeslagen van deze wereld) volgde al snel mijn beslissing om toegepaste taalkunde te gaan studeren. Ook al werd ik de afgelopen drie jaar geterroriseerd door professoren met vreemde taalfetishen en een angstwekkende -1 op 20 per dt-fout, ik kan met een gerust hart zeggen dat ik nooit spijt van mijn keuze heb gehad. (Behalve die ene keer toen we de volledige werking van de Europese Unie vanbuiten moesten kennen. Ik kan de Britten op weinig punten volgen (Bonen als ontbijt = ranzig, liefde voor ‘aanschuiven in rijen’ = raar) maar als België op die moment op het punt had gestaan de EU te verlaten, had ik hoogstwaarschijnlijk ergens vooraan in de rij gestaan, slaginstrumenten en luidsprekers incluis, en iedereen grof geld betaald om volmondig ‘JA’ te stemmen. Niet bepaald politiek verantwoord, ik ben me ervan bewust.)

Er is maar één talig iets dat ik een beetje in vraag stel; (Dat is gelogen maar het maakt mijn pleidooi er zodanig veel sterker op dat ik het rustig laat staan) en dat is het gegeven van het ‘dialect’. Na de eerste lessen Nederlands mondelinge taalvaardigheid en het voorspelbare verdict dat mijn Antwerps accent vrij hard tot uiting kwam, begon ik na te denken over mijn eigen taalgebruik. Thuis viel het al bij al nog mee, maar op café, bij vrienden en zeker bij de grootouders betrapte ik mezelf op een aantal ‘platte’ uitspraken waar, om het zachtjes uit te drukken, Kevin Janssens trots op zou zijn. Toen Cupido dan ook nog eens – lichtelijk aangeschoten vermoed ik – diezelfde Kevin koppelde met Natalialect herself en de hele wereld zich oprecht zorgen maakte over welke talige klanken er uit dat nageslacht zouden komen, besefte ik dat het tijd was voor verandering. Mijn kinderen zouden later perfect Nederlands spreken en zo van die ‘noemen/heten’-taalnazi’s worden, die iedereen stiekem haat. Dus ik begon me bijzonder hard te concentreren op mijn taalgebruik en voelde me slimmer, Nederlandstaliger en –ik durf het hier bijna niet neer te pennen- een beetje superieurder dan mijn niet-standaardtalige vrienden (aka zowat heel mijn vriendenkring).

Hoe lang die fase heeft geduurd? Drie pinten, een bezoek aan de oma en zeven mislukte taalgrappen om precies te zijn. Ik verloor een deel van mijn identiteit en besefte dat het dialect, naar mijn nieuwe, niet super sterk onderbouwde mening, minstens even waardevol en kwalitatief is als de standaardtaal, zij het in andere situaties. Ik heb dan ook na mijn periode waarin ik mezelf amper herkende, de opinie gevormd dat er in onze huidige maatschappij te hard gefocust wordt op de standaardtaal en er te weinig sympathie overblijft voor het dialect.

Op televisie bijvoorbeeld zien we deze tendens groeien. Commentaar op de Nathalie Meskens’ en Bart Cannaertsen van deze wereld zijn niet meer weg te denken uit onze media. Hoewel dit vroeger toch iets anders was. Schalkse Ruiters met Bart de Pauw zag week na week zijn kijkfcijfers in de hoogte gaan, terwijl Bartje, laat ons eerlijk zijn, af en toe zowel zijn standaardnederlands vergat als over zijn eigen woorden struikelde. Vandaag wordt Natalia helemaal zwart gemaakt als ze de MIA’s presenteert in haar Kempisch verleden. De MIA’s nota bene, waar Tourist LeMC genomineerd was voor ‘Nederlandstalig’. Dus we stemmen enthousiast voor een Nederlandstalige groep die, ondanks zeer goed, af en toe een research naar de lyrics nodig heeft om het Antwerps te verstaan, maar presenteren met wat dialectklanken? Oh god nee.

Dialect is marginaal en standaardtaal is superieur. Zo lijken de meeste mensen te denken over ons Nederlands, maar komt dit ook niet deels door een gebrek aan kennis? In de opleiding toegepaste taalkunde wordt er drie jaar lang gehamerd op uitspraak en het wegwerken van accenten en andere taal’fouten’ die duidelijk maken uit welke streek je bent geboren, maar het aantal lessen over het dialect blijft bij die viertal uurtjes in een vak genaamd taalvariëteiten. Jammer, want het dialect maakt onze woordenschat en taal toch een pak rijker. Woorden zoals ‘blaffeturen’, ‘ne zoetwoatersjienees’ en ‘kijzemuskestijd’ zouden voor altijd verleden tijd zijn, moesten we ons er niet een beetje beter in verdiepen. Ondanks het feit dat ik de betekenis van oude dialectwoorden vrijwel nooit ken, komen er vaak interessante verhalen naar boven als een bende 65plussers het verhaal achter die woorden uit de doeken doet.

Uiteraard moeten we niet evolueren naar een wereld waarin Martin Thange wordt vervangen door Axel Daeseleire om het nieuws te brengen. Sommige situaties vragen nu eenmaal het standaardnederlands. Maar andere situaties vragen dan weer onze andere taalvariëteiten. Gert Verhulst zou tijdens ‘Het Grootste Licht’ iets sympathieker overkomen als hij zich houdt aan zijn normale stemkleur en niet de houterige, poging-tot-standaardtalige-taal uitkraamt die hij nu hanteert. En probeer maar eens een serie als Matroesjka’s geloofwaardig te laten overkomen zonder ‘ne’ Ray van Mechelen die –lichtjes platvoers – zijn dames vraagt hun kleren uit te trekken. In fictie mag alles trouwens, de laatste jaren winnen programma’s als ‘Eigen Kweek’, ‘’Bevergem’ ‘Smos van Safety first’ en vergeet onze oscargenomineerde film ‘Rundskop niet, sterk aan populariteit, maar in de echte wereld moet het lijken alsof we allemaal afkomstig zijn uit hetzelfde dorpje waar iedereen hetzelfde praat en verscheidenheid volledig uit den boze is. Toch blijkt uit die programma’s dat het dialect nog wel iets met ons doet ( bedankt Matteo Simoni) en net daarom is het zonde dat er niet meer aandacht aan wordt besteed.

Want ook muzikaal/cultureel kan een dialect een meerwaarde bieden. Belgische trots, Sam Gooris maakte van zijn Antwerpse klanken gebruik om zijn teksten iets makkelijker te laten rijmen en menig Vlaming op een bijzondere manier te animeren. Moest mijn liefde voor meneer Gooris niet door iedereen gevolgd worden (kan ik inkomen), hebben we ook nog altijd ‘kleppers’ als de Strangers en Wannes Van de Velde om de kracht van de kleinkunst en het dialect te bewijzen. Cultureel kunnen we ‘het écht Antwaarps theater en het Gents volkstoneel niet in ere laten als er binnen een tiental jaar geen sprake meer is van het dialect. Zonde, toch?

Taal is buiten een communicatiemiddel ook een manier om een eigen identiteit te ontwikkelen en uit te drukken. Om de diversiteit aan persoonlijkheden ,die onze wereld zo interessant maakt, te behouden, vind ik dat er ook een uitgebreid scala aan taalvariëteiten moet blijven bestaan. Taalopleidingen in de eerste plaats zijn dan ook een geschikte plek om elke variëteit in de bloemetjes te zetten.

Mijn idee? Naast de lessen algemeen Nederlands ook een aantal uurtjes dialectologie. Laat iedereen eens wat mekkeren in het Gents, Kempisch of Antwerps. Het zou de sfeer zeker ten goede komen en het stelletje ‘azijnpissers’ die nog vóór het eerste woord volledig is uitgesproken, presentatoren volledig de grond in boren, misschien iets toleranter maken. Dialecten tonen aan waar we vandaan komen, typeren onze eigenheid en zorgen voor uitspraken die ik best zou willen inkaderen om boven mijn bed te hangen. En voor diegenen die zich er echt niet kunnen overzetten, heb ik nog drie cijfers en twee woorden:

888
Teletekst ondertitels

Een ode aan het dialect