Casa Di Mauro

Als men bij de Slimste Mens ter Wereld trefwoorden zou moeten bedenken om Kontich te beschrijven, ben ik er honderd procent van overtuigd dat de meeste mensen bevestigend zouden knikken bij het horen van ‘het Smikkelboetiekske’, Marthe de Pillecyn, Kontich jaarmarkt en café de Wipschutter. Of ze allemaal juist zouden gerekend worden, laat ik hier even in het midden, maar het beschrijft Kontich ten voeten uit. Drie jaar geleden is daar nog een term bijgekomen die, noteer het al bij voorbaat Erik, zonder uitzondering tien seconden of meer zou moeten opleveren; namelijk Casa di Mauro.

Het syndroom van Costello

We gaan even terug naar 1998, toen de Slimste Mens nog niet bestond maar de wereld wel net een Mauro rijker was. Tijdens de zwangerschap van Lieve was er niets aan de hand maar van zodra Mauro het levenslicht zag, werd duidelijk dat ze geen normale baby was. Na vijf maanden kwam dan ook het verdict: Het syndroom van Costello.

Kinderen met deze zeldzame, genetische afwijking zijn motorisch achter, hebben een ontwikkelingsachterstand en een overgevoeligheid aan de mond waardoor eten heel moeilijk gaat. Lieve en haar man bleven echter niet bij de pakken zitten, Mauro ging overal mee naartoe en twee jaar later kwam Nathan gezond en wel ter wereld.

Dat ze het makkelijk doen lijken, staat buiten kijf. Mauro is duidelijk gelukkig, lacht mensen soms vierkant uit en komt als trouwe supporter mee naar de wedstrijden van haar kleine, in vele opzichten ook grote broer. Dat het niet makkelijk is, en nooit is geweest, bombardeert Lieve instant tot de sterkste mens ter wereld. Vier jaar lang lag Mauro voor de helft van de tijd in het ziekenhuis en moest ze eten via een voedingspomp die ook ’s nachts aan en uit moest gezet worden.

‘Wat een ander als moeilijk ziet, is voor ons “normaal”, in die zin dat we geen andere keuze hebben. Een meisje van 18 jaar gaat normaal weg met haar vrienden, maar wij moeten Mauro altijd en overal meenemen. Dat houdt me soms tegen om ergens naartoe te gaan. Als Mauro een weekje weg is, op kamp of op zeeklassen, dan besef ik wat ik allemaal doe voor haar en dan kan ik wel even genieten van de rust en vrije tijd. Maar als ze terug thuis is, dan doen we terug verder als voordien. Zagen en klagen helpt niet. Mauro zal er wel voor zorgen dat er een lach op ons gezicht verschijnt.’

Woefke

 ‘Woefke’ is sinds 2008 de knuffelhond van Mauro. Veel kinderen nemen hun knuffel graag overal mee naartoe en Mauro is hierop geen uitzondering. Maar voor de familie Dupon is Woefke meer dan een knuffelhond. Mauro’s woordenschat beperkt zich tot vijftig woorden, maar ze verstaat heel veel en wil ook veel vertellen.

‘Sinds ze Woefke heeft, praat ze meer en is ze veel communicatiever. Via hem praat ze met ons en wij doen soms hetzelfde. Als ze iets niet wil doen, vragen we het via Woefke’. Dat Mauro een dame met pit is, druipt eraf. Ze lacht veel, heeft humor en een eigen sterk karakter. ‘Als we iets vragen om te doen, zegt ze meestal meteen ‘neen’. ‘Madame Non’ noemen we haar weleens. Dat duurt echter niet lang en snel daarna schiet ze in actie.’

Casa Di Mauro

Hoeveel grappige en leuke verhalen er ook over Mauro te vertellen zijn, de problematiek blijft bestaan. Mauro kan niet zelfstandig wonen. Momenteel gaat ze nog naar een aangepaste school, maar van zodra ze 21 jaar is, moet er een andere oplossing uit de bus komen. Lieve vertelt dat veel ouders dan met hun rug tegen de muur staan.

‘Ik heb altijd gedacht: ik koop een huis naast het onze voor Mauro, dan heb ik ze altijd bij mij. Na een bezoek aan projecten die mensen met een beperking laten samenwonen, besefte ik plots dat ik Mauro niet altijd bij mij hoef te houden. Ze moet de kans krijgen om bij soortgenoten te zijn.’ De droom was er, maar moest enkel nog gerealiseerd worden.

In de sportclub van zoon Nathan, kwam Lieve in contact met een andere mama, een opvoedster die jaren gewerkt had in een instelling voor personen met een beperking. Zij speelde al langer met het idee dat mensen met een beperking een echte thuis moesten kunnen krijgen. It takes two to make a thing go right, zongen Rob Base en D.J. E-Z Rock, Petra en Lieve gaven deze woorden betekenis.

Vandaag die dag fietsen verschillende zondagscoureurs wekelijks langs een buitengewone leefboerderij voor buitengewone mensen. Casa di Mauro, een naam die geen verdere uitleg meer hoeft, zorgt ervoor dat 9 volwassenen met een beperking samenleven onder 1 dak. Mauro zelf woont er nog niet, maar is in 2019 na haar schoolcarrière meer dan welkom om haar naam alle eer aan te doen.

Het is gebeurd, zo veel kunnen we wel zeggen.

Advertenties
Casa Di Mauro

Een ode aan het dialect

Talen, het interesseert me. Als sinds de eerste noten van ‘Fanfreluche est une poupée’ in het vijfde leerjaar was ik verkocht. Ondanks het jammerlijke feit dat de Romaanse talen niet bepaald mijn talent bleken te zijn en mijn droombeeld van mezelf al kaasetend onder de eifeltoren met een baguettedragende Jean-Pièrre tamelijk snel volledig werd doorprikt, beantwoordden de Germaanse talen gelukkig wel mijn liefde. ‘Gutentag worstdragende Klaus’ klinkt duizend keer minder romantisch, maar goed, roeien met de riemen die je hebt, denk ik dan. Enfin, na verschillende jaren in het secundair onderwijs vol zinsontleding, poëzie en dt-regels en mijn coming-out eind vijfde middelbaar (want de eerste vier jaar moest ik- denkend aan mijn imago- natuurlijk doen alsof ik ook walgde van werkwoordelijke gezegdes, dictees en de Boem Paukeslagen van deze wereld) volgde al snel mijn beslissing om toegepaste taalkunde te gaan studeren. Ook al werd ik de afgelopen drie jaar geterroriseerd door professoren met vreemde taalfetishen en een angstwekkende -1 op 20 per dt-fout, ik kan met een gerust hart zeggen dat ik nooit spijt van mijn keuze heb gehad. (Behalve die ene keer toen we de volledige werking van de Europese Unie vanbuiten moesten kennen. Ik kan de Britten op weinig punten volgen (Bonen als ontbijt = ranzig, liefde voor ‘aanschuiven in rijen’ = raar) maar als België op die moment op het punt had gestaan de EU te verlaten, had ik hoogstwaarschijnlijk ergens vooraan in de rij gestaan, slaginstrumenten en luidsprekers incluis, en iedereen grof geld betaald om volmondig ‘JA’ te stemmen. Niet bepaald politiek verantwoord, ik ben me ervan bewust.)

Er is maar één talig iets dat ik een beetje in vraag stel; (Dat is gelogen maar het maakt mijn pleidooi er zodanig veel sterker op dat ik het rustig laat staan) en dat is het gegeven van het ‘dialect’. Na de eerste lessen Nederlands mondelinge taalvaardigheid en het voorspelbare verdict dat mijn Antwerps accent vrij hard tot uiting kwam, begon ik na te denken over mijn eigen taalgebruik. Thuis viel het al bij al nog mee, maar op café, bij vrienden en zeker bij de grootouders betrapte ik mezelf op een aantal ‘platte’ uitspraken waar, om het zachtjes uit te drukken, Kevin Janssens trots op zou zijn. Toen Cupido dan ook nog eens – lichtelijk aangeschoten vermoed ik – diezelfde Kevin koppelde met Natalialect herself en de hele wereld zich oprecht zorgen maakte over welke talige klanken er uit dat nageslacht zouden komen, besefte ik dat het tijd was voor verandering. Mijn kinderen zouden later perfect Nederlands spreken en zo van die ‘noemen/heten’-taalnazi’s worden, die iedereen stiekem haat. Dus ik begon me bijzonder hard te concentreren op mijn taalgebruik en voelde me slimmer, Nederlandstaliger en –ik durf het hier bijna niet neer te pennen- een beetje superieurder dan mijn niet-standaardtalige vrienden (aka zowat heel mijn vriendenkring).

Hoe lang die fase heeft geduurd? Drie pinten, een bezoek aan de oma en zeven mislukte taalgrappen om precies te zijn. Ik verloor een deel van mijn identiteit en besefte dat het dialect, naar mijn nieuwe, niet super sterk onderbouwde mening, minstens even waardevol en kwalitatief is als de standaardtaal, zij het in andere situaties. Ik heb dan ook na mijn periode waarin ik mezelf amper herkende, de opinie gevormd dat er in onze huidige maatschappij te hard gefocust wordt op de standaardtaal en er te weinig sympathie overblijft voor het dialect.

Op televisie bijvoorbeeld zien we deze tendens groeien. Commentaar op de Nathalie Meskens’ en Bart Cannaertsen van deze wereld zijn niet meer weg te denken uit onze media. Hoewel dit vroeger toch iets anders was. Schalkse Ruiters met Bart de Pauw zag week na week zijn kijkfcijfers in de hoogte gaan, terwijl Bartje, laat ons eerlijk zijn, af en toe zowel zijn standaardnederlands vergat als over zijn eigen woorden struikelde. Vandaag wordt Natalia helemaal zwart gemaakt als ze de MIA’s presenteert in haar Kempisch verleden. De MIA’s nota bene, waar Tourist LeMC genomineerd was voor ‘Nederlandstalig’. Dus we stemmen enthousiast voor een Nederlandstalige groep die, ondanks zeer goed, af en toe een research naar de lyrics nodig heeft om het Antwerps te verstaan, maar presenteren met wat dialectklanken? Oh god nee.

Dialect is marginaal en standaardtaal is superieur. Zo lijken de meeste mensen te denken over ons Nederlands, maar komt dit ook niet deels door een gebrek aan kennis? In de opleiding toegepaste taalkunde wordt er drie jaar lang gehamerd op uitspraak en het wegwerken van accenten en andere taal’fouten’ die duidelijk maken uit welke streek je bent geboren, maar het aantal lessen over het dialect blijft bij die viertal uurtjes in een vak genaamd taalvariëteiten. Jammer, want het dialect maakt onze woordenschat en taal toch een pak rijker. Woorden zoals ‘blaffeturen’, ‘ne zoetwoatersjienees’ en ‘kijzemuskestijd’ zouden voor altijd verleden tijd zijn, moesten we ons er niet een beetje beter in verdiepen. Ondanks het feit dat ik de betekenis van oude dialectwoorden vrijwel nooit ken, komen er vaak interessante verhalen naar boven als een bende 65plussers het verhaal achter die woorden uit de doeken doet.

Uiteraard moeten we niet evolueren naar een wereld waarin Martin Thange wordt vervangen door Axel Daeseleire om het nieuws te brengen. Sommige situaties vragen nu eenmaal het standaardnederlands. Maar andere situaties vragen dan weer onze andere taalvariëteiten. Gert Verhulst zou tijdens ‘Het Grootste Licht’ iets sympathieker overkomen als hij zich houdt aan zijn normale stemkleur en niet de houterige, poging-tot-standaardtalige-taal uitkraamt die hij nu hanteert. En probeer maar eens een serie als Matroesjka’s geloofwaardig te laten overkomen zonder ‘ne’ Ray van Mechelen die –lichtjes platvoers – zijn dames vraagt hun kleren uit te trekken. In fictie mag alles trouwens, de laatste jaren winnen programma’s als ‘Eigen Kweek’, ‘’Bevergem’ ‘Smos van Safety first’ en vergeet onze oscargenomineerde film ‘Rundskop niet, sterk aan populariteit, maar in de echte wereld moet het lijken alsof we allemaal afkomstig zijn uit hetzelfde dorpje waar iedereen hetzelfde praat en verscheidenheid volledig uit den boze is. Toch blijkt uit die programma’s dat het dialect nog wel iets met ons doet ( bedankt Matteo Simoni) en net daarom is het zonde dat er niet meer aandacht aan wordt besteed.

Want ook muzikaal/cultureel kan een dialect een meerwaarde bieden. Belgische trots, Sam Gooris maakte van zijn Antwerpse klanken gebruik om zijn teksten iets makkelijker te laten rijmen en menig Vlaming op een bijzondere manier te animeren. Moest mijn liefde voor meneer Gooris niet door iedereen gevolgd worden (kan ik inkomen), hebben we ook nog altijd ‘kleppers’ als de Strangers en Wannes Van de Velde om de kracht van de kleinkunst en het dialect te bewijzen. Cultureel kunnen we ‘het écht Antwaarps theater en het Gents volkstoneel niet in ere laten als er binnen een tiental jaar geen sprake meer is van het dialect. Zonde, toch?

Taal is buiten een communicatiemiddel ook een manier om een eigen identiteit te ontwikkelen en uit te drukken. Om de diversiteit aan persoonlijkheden ,die onze wereld zo interessant maakt, te behouden, vind ik dat er ook een uitgebreid scala aan taalvariëteiten moet blijven bestaan. Taalopleidingen in de eerste plaats zijn dan ook een geschikte plek om elke variëteit in de bloemetjes te zetten.

Mijn idee? Naast de lessen algemeen Nederlands ook een aantal uurtjes dialectologie. Laat iedereen eens wat mekkeren in het Gents, Kempisch of Antwerps. Het zou de sfeer zeker ten goede komen en het stelletje ‘azijnpissers’ die nog vóór het eerste woord volledig is uitgesproken, presentatoren volledig de grond in boren, misschien iets toleranter maken. Dialecten tonen aan waar we vandaan komen, typeren onze eigenheid en zorgen voor uitspraken die ik best zou willen inkaderen om boven mijn bed te hangen. En voor diegenen die zich er echt niet kunnen overzetten, heb ik nog drie cijfers en twee woorden:

888
Teletekst ondertitels

Een ode aan het dialect

Hé, het is oké!

Ik geef het toe, de Flair? Dat is mijn guilty pleasure. Bad laten vollopen, een halve fles olie er zwierig in leeggieten, wat bananensnoepjes van de Albert Hein in de zeephouder ( Ja, die snoepjes die iedereen ranzig vindt, maar ook die snoepjes waarop ik volmondig ja zou antwoorden, moesten ze mij ten huwelijk vragen), mijn haarmasker, een muziekje op de achtergrond en ik ben vertrokken. Ik sla niets over, lees alles en ben een grote Thomfan! De dag dat ik een artikel van hem lees waar ik mijn eigen avondactiviteit in herken, zal een dag zijn om U tegen te zeggen. Maar Thom is nog niets vergeleken met die ene pagina … De ‘hé, het is oké-pagina’. Héérlijk! De geniale ziel die daar de grondlegger van is, mag van mij een standbeeld krijgen in het midden van Antwerpen. (Naast dat toekomstig standbeeld van mezelf uiteraard, voor die ene memorabele daad waar enkel de details nog van moeten uitgewerkt worden.) Enfin ja, die ene pagina maakt standaard mijn bad, maar gisteren begon ik ook na te denken over mijn eigen, dagelijkse kost van absurditeiten, die hopelijk toch ook worden gedeeld door andere menselijke zielen. Dus hier gaan we!

Wel, in mijn leven is het oké

– Om ’s morgens niet uit je bed te geraken en lichte depressieve symptomen te vertonen tot je beseft dat er vers wit brood is en je gisteren het chocoladeaanbod in je ijskast duchtig hebt uitgebreid.

– Om enkel onder je warme douche vandaan te kunnen komen als je van 20 tot 0 hebt geteld. Te abrupte acties zijn namelijk niet goed voor je ochtendhumeur en fysiek ook niet mogelijk ‘s ochtends. Dat je de laatste vijf tellen zeker niet ‘missississippilessly’ telt ( enkel voor de die-hard Friendsfans onder ons) vergeten we hier even.

– Om tijdens je fietstocht naar school die ene man ( helm , fluohesje en gespen rond zijn broekspijpen) terug in te halen en voorbij te steken met een triomfantelijke grijns om je lippen. So long sucker die helemaal niet op de hoogte was van deze wedstrijd.

– Om een gloed van gelukzaligheid over je heen te krijgen als je een overvolle, aangedampte tram ziet passeren terwijl jij net in de helft van je fietstocht zit. Ondanks het feit dat je rug ondertussen kletsnat is wegens te veel kledij voor de lichamelijke actie die je aan het verrichten bent, ben jij er tenminste zeker van dat het jouw zweet is en niet dat van 7 verschillende, transpirerende vreemden die in je nek liggen te hijgen.

– Om van de nieuwste Adelehit enkel het woordje Hello te onthouden, maar nog steeds het talent te bezitten om alle liedjes van High School Musical woord voor woord te kunnen meezingen en dat dan ook ongegeneerd te doen tijdens de afwas.

– Om je waterlanders helemaal niet meer onder controle te hebben als je de film in kwestie al eens gezien hebt. Nu je weet wat er gaat komen en wie er het loodje gaat leggen, vertoon je al uitdrogingsverschijnselen na de begingeneriek. Hallo opgezwollen tennisbalogen, volgesnoten zakdoekjes en rode plekken in het gezicht.

– Om te zweren bij het gegeven dat je deze avond écht eens gaat kijken naar die ene documentaire waar iedereen het over heeft en waaruit de volgende scouts zeker zijn quizvragen gaat halen, maar toch weerom te eindigen met de Princess Diaries 2. Julie Andrews die aan matras-sliden doet, wint het pleit keer op keer.

– Om weinig principes in ere te houden, maar er eentje te hebben die zonder problemen rechtovereind blijft. ‘Dat kleine stukje brownie gaat de zaak niet maken.’ Ook niet als je dat principe gedurende een hele dag in leven houdt en je de koelkastdeur wel degelijk platloopt. One moment on the lips, forever on the hips is maar een kwestie van je mond ver genoeg open te doen, denk ik dan.

– Om een oriëntatiegevoel te hebben dat zich ergens diep onder de zeespiegel bevindt en helaas niet meestijgt terwijl de aarde opwarmt, maar wel voet bij stuk te houden dat het best wel verrijkend kan zijn om nooit op voorhand te weten waar je gaat uitkomen en wat je gaat tegenkomen. Zo heb je toch maar mooi dat ene verborgen caféetje ontdekt toen je twee uur te laat aankwam op het feestje van je beste vriendin wegens een omweg van 17 kilometer. ( Helaas ook wel pas teruggevonden na een viertal pogingen wegens die zeespiegeloriëntatie)

– Om de eeuwige optimist te zijn tijdens al de gesprekken van je vriendinnen over hun zoektocht naar Mr. Darcy, maar jezelf op de terugtocht naar huis toch te betrappen op vriendelijk lachen naar alle katten die je passeert. Je weet maar nooit of dat diertje één van de 73 huisgenoten gaat zijn in je toekomstig appartement.

Maar hé, blijkbaar is het echt oké om zo van die eigenaardigheden te hebben. Hoe je het ook draait of keert, iedereen heeft er wel een aantal. Geloof het of niet maar ik gebruik de Flair als waarheidsgetrouwe en geruststellende bron, die vullen namelijk al jaren wekelijks een hele pagina met van die dingen. Mijn meest bizarre eigenschappen heb ik echter wel achterwege gelaten, kwestie van niet viraal te gaan op het internet. Mijn eigen avondactiviteit herkennen in een artikel op HLN bizar? Neen dank u, al moet ik wel toegeven dat ik als fervente fan iedereen in de slimste mens naar huis zou spelen, moest er ook maar iets gevraagd worden over die ene vrouw die bevallen is van een zevenling of die ene vechtersbaas die direct naar de gevangenis ging na een vechtpartij op een monopoly-tornooi.

150 seconden? Yes, please!

Hé, het is oké!

What shall we do with the drunken sailor?

Simpel, niet laten uitzeilen.

Een zatte mens, het is iets speciaals. Buiten dolfijnen die aan kogelvis zuigen om high te worden, zijn wij trouwens de enige zoogdieren die zich volledig bewust volgieten met een giftig goedje, enkel en alleen om er plezier uit te halen. De dag erna zien we dan zodanig af dat we van die gekke dingen zeggen zoals “ dat is nu de laatste keer geweest” en verwoede pogingen doen om die laatste dafalgan te vinden in onze toiletzak. Als ik een euro had gekregen per keer dat een persoon die zin er in een klaagzang had uitgesmeten, had ik nu waarschijnlijk mijn top 10 wensen van een paar artikels terug kunnen uitvoeren. Ah, a girl can dream.

Ik denk dat het niet vergezocht is om te kunnen veralgemenen dat zowat elke mens op deze aardbodem een haat-liefderelatie heeft met alcohol. Op verschillende vlakken trouwens. De eerste kennismaking met Mr. A is pure haat. Dat goedje is werkelijk niet te drinken. Maar kameraad Peer Pressure springt al snel voor hem in de bres, hij doet een goed woordje voor zijn beste vriend en na een tijdje raak je gewend aan de aanwezigheid van Mr. A, meer zelfs je begint hem te appreciëren en je ontwikkelt zelfs bepaalde gevoelens voor hem. Het is namelijk altijd veel leuker als hij er bij is, hij doet je grenzen verleggen, hij maakt je losser. Ah de liefde. Voor een bepaalde tijd loop je op wolkjes, tot je ontdekt dat hij verdacht veel weg heeft van Mr Grey en ook niet altijd het beste in je naar boven haalt. Grenzen verleggen is leuk maar trop is te veel. Je had gisteren echt niet de behoefte om op die toog een imitatie van je favoriete film neer te zetten en een verschrikkelijk gênante cowboydans uit te voeren, maar ergens is hij er, charmant en manipulatief als hij is, toch in geslaagd je op die toog te laten kruipen. Je weet er niet meer echt het fijne van, maar echt goedgezind ben je niet op hem. Je neemt de eerstvolgende weekends even wat afstand maar de aantrekkingskracht is verdacht groot en de liefde bloeit al snel terug op. Na een hele avond aan je lippen te hebben gehangen, laat hij je toch naar huis gaan met zijn minder interessante neef, genaamd H20. Die bedoelt het zo goed, maar kan je toch minder bekoren. De badboy wint het nogmaals van de boy next door, oh wij vrouwen leren toch nooit uit onze fouten. H20 wordt gefriendzoned en kan ons een hele zondag gezelschap houden terwijl we klagen over de pijn die mr.A ons weeral bezorgd heeft. Ziedaar de haat-liefderelatie.

Maar ondanks het feit dat we best wel weten dat het niet gezond is, we ons soms jaren willen verbergen in een grot in Oezbekistan door zatte verrichte daden en we echt wel hard kunnen afzien op zondag, nationale katerdag, is alcohol ook echt wel amusant. Al die heerlijke verhalen, al die grappige momenten. Alcohol heeft zo ook zijn positieve eigenschappen. Karaokebars danken hoogstwaarschijnlijk de helft van hun winst aan mr. A, want niemand zou ooit lef genoeg hebben om Britney te imiteren zonder een bepaalde promille in het bloed, de helft van de mensen die momenteel zielsgelukkig rondlopen met hun wederhelft, kunnen waarschijnlijk ook mr.A bedanken voor dat extra duwtje in de rug en het zou echt zonde zijn moest de wereld blind gebleven zijn voor de dansmoves die in ieder van ons zitten. ( Ik citeer de helden van Discobar A moeder even:  in élke mens zit een danser verborgen). Om het kort samen te vatten, kan ik volgende clichézin wel even in deze tekst smijten : no great story ever started with someone eating a salad. Maar als we dan toch die weg inslaan, kunnen we even goed even melden dat no sad story ever, started with someone taking a cab either.

Er zijn weinig dingen waar ik van walg. Over het algemeen beschik ik over een vrij hoge tolerantiegrens. Leven en laten leven, denk ik dan. Maar dat is nu exact waar die ene pipo die ervan overtuigd is dat hij nog kan rijden, frontaal tegen ingaat. Leven, ja daar kiest hij zelf voor, maar laten leven? Dat heeft hij niet meer onder controle. Ziek word ik ervan. Al lachend gaan ze de confrontatie uit de weg. Jij, klein naïef ding dat nog niet eens een eigen auto kan betalen, snapt er toch niets van. Het alfamannetje van dienst kan nog perfect rijden en laat zich echt niet doen door een aantal pinten. Plus, hij is op 1,2,3 thuis, een kwartiertje rijden, wat kan er daar nu op gebeuren? Ik hoef hier niet uit te leggen wat er kan gebeuren. Iedereen, inclusief onze drunken sailor, weet perfect wat er kan gebeuren. Elke maand staat er wel ergens iets in de krant over de dingen die dan gebeuren.

Hoe moeilijk kan het zijn? Drinken en rijden dat is zoals Kate Moss en Pete Doherty die toch nog eens een poging doen om hun relatie nieuw leven in te blazen. Het klinkt misschien aanlokkelijk, maar je weet op voorhand dat het geen goed idee is en ondanks het feit dat de kans op slagen misschien relatief groot is, weet je diep vanbinnen dat je een tikkende tijdbom vasthebt en het in de nabije toekomst toch ergens gaat mislopen. Herken een hopeloze zaak als ze voor uw neus staat.

Ik ben nooit BOB. Ik kies daar bewust voor. Ik ben een bewust beschonken bestuurder. Maar dan wel met de fiets. Hypocriet niet? Ik ben ’s nachts soms ook een gevaar op de weg. Zigzaggen, onverwachte bewegingen. Aangenaam is iets anders, maar ik verplaats mij tenminste niet in een 4ton wegende vierwieler. En geloof mij vrij, met de snelheid die ik maak op zulke avonden is het eerder een prestatie dat ik niet gewoon omkantel.

Vind ik het de taak van de vriendenkring om iemand te behoeden voor zat rijgedrag? Ja absoluut. Het kan niet moeilijk zijn om de autosleutels van een zatte mens af te nemen. Bel een taxi en laat hem zijn zaakjes de volgende dag regelen. Als hij, of zij natuurlijk, de dag erna niet beseft dat je juist gehandeld hebt, lijkt het mij een verstandige keuze die persoon in kwestie links te laten liggen.

What shall we do with the drunken sailor ?

Simpel, niet laten uitzeilen.

What shall we do with the drunken sailor?

Hoe een gedragscode het voor iedereen aangenamer kan maken.

Ik laat je even terug dromen naar die heerlijke studententijd, of ik schud je net wakker omdat je het gisteren iets te bont hebt gemaakt, maar over 1 ding kunnen we het eens zijn… Studeren is, de leerstof even achterwege latend, genieten van het goede leven. Lessen zijn niet meer verplicht, het stressmannetje komen we pas tegen eind december, begin januari (tegen dan hebben we trouwens voldoende comfortfood verzameld van de afgelopen feestdagen om die strijd ook aan te kunnen ) en daarna is het weer een volledig semester zorgeloos rondkuieren tot de eindexamens. Oké misschien is dit iets te utopisch omschreven en krijgen we af en toe wel te maken met lastige taken, presentaties, tussentijdse examens, stages en een gebrek aan vakantie, maar over het algemeen kunnen we stellen dat de studententijd best wel zorgeloos en amusant is.
Er is slechts 1 klein dingetje waar een student standaard naar loopt te zoeken. Kennis? Een vriendin? Fiets-of kotsleutel ? Neen, Geld.

Zelfs als we onze schatkist Pipi Langkousgewijs tellen, hebben we niet voldoende om de maand door te komen. In ons stamcafé drinken we rond de 15e van de maand op de poef , we hebben al ontdekt dat Mevrouw Leemans’ reclameslogan geen waarheid bevat en vriendinnen eigenlijk helemaal niet staan te springen om geld uit te lenen en onze ouders schieten niets bij wegens de drukke augustusmaand die nog te vers in het geheugen ligt. Dus na een paar dagen huilend te overleven op crackers en Royco minutesoepjes, nemen we het heft in eigen handen. We willen een studentenjob.

We zoeken even op het internet en schrijven ons al snel in bij een evenementenbureau waarbij je zelf je werkschema kan bepalen. Klinkt dat niet buitengewoon interessant? Vrij vertaald betekent dit : uren en dagen zo regelen dat je nooit of te nimmer met een kater zal moeten werken, enkel de uren aanduiden waarop er niets beters te doen is bij voorkeur startend na de middag ,zodat de wekker niet gezet hoeft te worden, en eindigend voor een schappelijk café-uur en al bij al ziet het er nog wel leuk uit ook.

Oké, hier gaan we. Voor onze eerste opdracht zien we er pico bello uit. De ouders hebben nog eens in de geldbuidel getast en de kelnersoutfit gesponsord want hip hip hoera! Zoon- of dochterlief vertoont toch enige sporen van verantwoordelijk gedrag en terwijl de papa al aan de lijn hangt met de grootouders, kweelt mama dat ze het altijd in jou gezien heeft.

Je arriveert perfect op tijd op de werkvloer, de motivatie is nog duidelijk zichtbaar en de zenuwen hebben je benen toch iets sneller laten trappen. Je eerste opdracht? Rondgaan met een plateau vol ‘fluten’. Het schaamrood stijgt je naar de kaken, hoe is het mogelijk dat je van je eerste opdracht de helft van de zin niet verstaat? Je volgt de andere naar de keuken en eveneens hun voorbeeld. Iedereen neemt een plateau met cavaglazen.. Schijnt niet erg te zijn, die zogenaamde ‘fluten’ zal iemand anders al hebben meegenomen. Trillend probeer je de plateau te balanceren op je hand, waarom ziet het er bij de rest zo makkelijk uit? Goede god en je ben nog niet aan het wandelen. Maar het lukt je, als bij wonder geraak je bij de deur zonder een Laurel and Hardyscene te imiteren, en daar zakt de moed je in de schoenen. Mensen, belachelijk veel mensen. Het doet je nog het meest aan een mierenhoop denken en het is vandaag blijkbaar ook ontzettend moeilijk een verhaal te vertellen zonder wijde gebaren te maken. Je ziet de blik van de maître jouw richting uitgaan. Oké je moet bewegen! May the odds be ever in your favour.

Links, rechts, links, rechts, nog even!! Ja we zijn twee meter verder en jij staat met je plateau binnen handbereik van het eerste groepje mensen. Alle glazen zitten even vol, maar toch wil die sympathieke bankdirecteur dat ene glas links vanachter. Waarom? Hierbij gedragscode 1 : neem het meest voor de hand liggende glas. Dat is ook wat de kelner in kwestie verwacht. Vergelijk het met een koorddanser die plots ontdekt dat zijn touw een vreemde hoek maakt, kans is groot dat hij beneden in de ravijn ligt, en dat geldt ook voor die desbetreffende plateau. En inderdaad, je plateau valt op de grond, overal is het breken van glazen duidelijk hoorbaar en hoe het kan? God mag het weten, maar terwijl er daarnet nog geen speld tussen al dat volk paste, is er nu een mensvrije cirkel met een diameter van 4 meter ontstaan en jij bent het middelpunt. Oh Joy.

Ze stellen je gerust, kan iedereen overkomen! Maar de rest van de receptie krijg jij de plateau met hapjes voorgeschoteld. Je bent nog geen stap uit de keuken of je krijgt al een resem grapjes op je bord die niet alleen ongepast maar ook zo laag van niveau zijn dat ze zelfs de jaarlijkse scheurkalender van de plaatselijke vrouwengilde niet zouden halen. Ja je hebt een plateau laten vallen, ja iedereen heeft dat gezien en ja, je wit hemdje hangt nu vol oranje fruitsapvlekken maar niemand hoeft daar om de twee seconden aan herinnerd te worden. Net zoals niemand ook behoefte heeft aan de basiszinnen die aan elke tafel steevast worden uitgesproken door de lolbroek van dienst. Gedragscode 2 : we hebben een vaste route gekregen om ons door de zaal voort te bewegen dus hoe vaak je ook zegt : ‘Hier mag je altijd terugkomen’ en ‘de plateau mag gerust blijven staan, zodat jij ook wat pauze hebt’ of ‘als je langs hier blijft passeren, gaat je plateau wel leeg geraken’… het gaat je niet helpen. We komen niet vaker langs.
Hierbij ook ineens gedragscode 3 : ook al zien de hapjes die op speciale lepels worden gepresenteerd eruit alsof je die lepel na het verorberen onmiddellijk mag terugleggen op de plateau, niets is minder waar. De staantafels inclusief afvalbakje staan er niet voor niets. Naar een tweede groep mensen gaan terwijl je plateau ontsiert is door lege lepels die zojuist innig contact hebben gehad met een glibberige tong, is voor beide partijen niet bijzonder aangenaam.

Ondertussen ben je al een tijdje aan het werken en begint je maag aan een concert waar dat bandje achterin nog wat van kan leren. Verdorie, dat heb je met die Roycosoepjes. Maar, meester in het imiteren zoals je bent, heb je al snel door hoe die anderen het doen. Twee hapjes laten liggen op je plateau en die verorberen op weg naar de keuken, simpel maar geniaal. De receptie is gedaan, je maag is gestabiliseerd en het diner gaat beginnen.

Je ziet iedereen drie borden nemen en het angstweet breekt je uit. Aangezien jij geen auditie hebt gedaan voor Cirque du Soleil, zie je niet in hoe je dat in godsnaam gaat verwezenlijken. De rij wordt korter, je probeert nog een ontsnappingsroute te verzinnen maar helaas het is aan jou. Holy shit, die dingen zijn snikheet. Dat moet jij weer hebben, de anderen schijnen er geen last van te hebben. Op een of andere manier ben je erin geslaagd drie borden vast te hebben en op Speedy Gonzalestempo haast je je naar de dichtstbijzijnde tafel. Je pink schuift weg, oh nee komaan pinky! Oh de saus begint ook een eigen leven te leiden ondertussen. De foodporn op je borden ziet er ondertussen uit alsof het zwaar gemolesteerd is en terwijl je handen bijna derdegraads verbrand zijn, kan je nog net de vrouw ontwijken die haar stoel naar achter schuift en drop je de borden op de tafel. Oh ja sorry, nee ik heb geen rekening gehouden met de etiquette en nee ik heb dus niet eerst de vrouwen bediend, ik was iets drukker in de weer met het vermijden van een tweede Laurel and Hardyscene. Je maître ziet de ernst van de situatie in en voilà, vijf seconden later loop je de zaal in met twee flessen wijn in je handen.
Ah veel beter, je bedient eerst de vrouwen ( joepie! Vooruitgang) en voor een kwartiertje loopt alles goed. Uiteindelijk durf je het aan de VIPtafel te bedienen en terwijl je rode wijn aan het inschenken bent, vraagt Jonkheer pretentie aan de overkant van welk jaar de wijn is. Je mond valt open, je draait de fles met het etiquette naar je toe en morst ondertussen een drupje rode wijn op de uiteraard witte jurk van de jonkvrouw naast jou. Je wordt even rood als de wijn, stamelt iets van 2012 en terwijl er naast je zuchten worden geslaakt waar je moeder op een doordeweekse katerdag bij in het niets valt, geniet Jonkheer P van zijn tweede vraag… ‘Uit welk land komt de wijn?’
Gedragscode 4 : als de kelner in kwestie al niet kan antwoorden op de eerste vraag, is de kans klein dat er iets intelligents uitkomt op vraag 2. Haal je pleziertjes dus uit het eten dat voor je neus staat of probeer de persoon naast jou een hak te zetten met zijn laatste aandelenverlies, maar verwacht niet dat elke kelner ook een cursus ‘sommelier’ heeft gevolgd.

Ah een moment van absolute vreugde, de receptie is gedaan en nu rest ons enkel nog het avondfeest. Kan niet moeilijk zijn toch? De meeste mensen hebben al wat gedronken en worden iets toleranter, de DJ draait, ondanks een aantal ongepast vroege Frans Bauerhits, vrij goede muziek en het enige wat jij moet doen is glazen afruimen. Ideaal! Zelfs als je die dekselse plateau opnieuw laat vallen, wordt je tenminste niet overspoeld door een Niagara waterval aan fruitsap dus vol goede moed begeef je je opnieuw door de mierenmassa. Je levert goed werk, de tafels worden aan topsnelheid afgeruimd en je zelfvertrouwen groeit per stap die je zet. Je komt voorbij een tafel plezierige jongemannen en één ervan vraagt of je toevallig niet voor hem even een pintje wil gaan halen. Je wijst hem vriendelijk de weg naar de bar en vertelt hem dat je twee collega’s aan de bar een pint voor hem zullen tappen. Maar door een bepaalde kortsluiting in zijn hersenpan begrijpt hij niet wat je juist gezegd hebt. Hij blijft aandringen, op een sympathieke manier dat wel, maar het is ontzettend lastig. Je ziet verschillende tafels vol glazen en omdat je snel verder wilt met je werk, geef je toe.
Je loopt naar de bar, bestelt die pint en de bal gaat aan het rollen. Het nieuws verspreidt zich als een lopend vuurtje en voor je het weet heb je twee ‘jobkes’ aan je been. En daar is die vuurspuwende blik van je maître. Oh nee niet nu, niet nu je net een plateau vol pinten vasthebt. ‘Of ik anders graag zelf de verdeling van de taken en de organisatie van het team op mij neem?’, ‘of ik soms genoeg had van mijn ene job en dan maar overschakelde naar de andere?’ Gedragscode 5 : laat een kelner gewoon zijn job doen en ga je pint lekker zelf halen. Dat beetje lichaamsbeweging zal zeker geen kwaad kunnen met de dosis alcohol die je van plan bent binnen te gieten.

Het feest loopt ten einde en jouw energieoverschot ook. Hoeveel mensen staan er nog in de zaal? 7 !! JA godzijdank, geef dat nog een kwartiertje en je bent naar huis! De laatste plakkers komen nog een pint bestellen, geen probleem, je bent euforisch, dan wordt het maar een half uurtje. Of anderhalf uurtje , of KUNNEN DIE PALJASSEN NU NIET GEWOON OP CAFE GAAN?!?

Gedragscode 6 : Als alle tafels naast de jouwe leeg zijn en het personeel ijzige blikken in jouw richting werpt en je nog net niet probeert te tackelen met hun keerborstels als je richting de toiletten loopt, is het tijd om naar huis te gaan of (zoals de frustratie hierboven al uitschreeuwde) tijd om op verplaatsing te gaan. Drink daar verder, praat daar verder maar laat ons naar huis gaan.

De laatste klanten zigzaggen de deur uit, je bent bekaf. Een pint wordt in je handen geduwd en de maître stelt je gerust dat het je best wel oké verging voor een eerste keer. De avond wordt uitbundig besproken en al de personen die zich niet aan bovenstaande gedragscodes hebben gehouden passeren uitgebreid de revue. Oh, er heeft nog iemand wijn gemorst en die jongen daar, heeft zelfs een volledige kom soep laten vallen. Het dringt tot je door, je was echt zo slecht nog niet.

Een week later wandel je uitgelaten naar je stamcafé, je bankkaart toonde voor de eerste keer die maand geen ontoereikend saldo en je hebt nog een poef af te lossen.
Ondertussen heb je je nog ingeschreven voor een drietal evenementen deze maand en ben je helemaal klaar voor morgen. Je gsm biept, aha de reminder! Of ik zeker ook mijn tire-bouchon wil meenemen…

Mijn wat?

Hoe een gedragscode het voor iedereen aangenamer kan maken.

Wat als ik morgen de lotto win?

Terwijl we ons allemaal de ‘Wat als’ filmpjes nog perfect herinneren en regelmatig terug youtuben ( waarbij het trouwens bijzonder moeilijk is om ‘het syndroom van Knokke Le zoute’ terug te vinden… Hoogstwaarschijnlijk het gevolg van wat fils à papas die, gekwetst tot op het bot, hun peperdure advocaten hebben ingeschakeld en, for the love of God, ondertussen terug zorgeloos over de Knokse dijk kunnen paraderen met hun Lacoste truitjes losjes over hun schouders gedrapeerd.. maar goed daar gaat het hier helemaal niet om), kreeg ik gisteren de vraag wat ik zou doen als ik morgen de lotto zou winnen.

Aangezien die vraag mij werd gesteld op ons jaarlijks familiefeest door nonkel Jan, die al 7 jaar op rij tot werknemer van het jaar bekroond is bij een bankfiliaal op ‘den boerenbuiten’ en al 7 jaar op rij pogingen doet om mij een zogenaamd ‘woonspaarplan’ aan te praten waardoor ik nog een extra rekening zou moeten openen ( raar, ik krijg er al amper 1 gevuld) antwoordde ik, mijn kerstcadeaus veilig stellend, ‘ stante pede het geld goed beleggen, mijn toekomst verzilveren, dat woonspaarplan activeren (vette knipoog) en dan leven van de interesten.’

Ja, as if. Elke mens die mij recht in de ogen kan kijken en zegt dat die zin daadwerkelijk het eerste is waar hij opkomt als die vraag wordt gesteld, kan voor mij even goed zeggen dat hij geen vijf trefwoorden kan vinden over die twee vliegtuigen die een paar jaar terug in die wolkenkrabbers zijn gevlogen. Het ligt simpelweg niet in het karakter van een mens om meteen voor de saaie, verantwoordelijke mogelijkheid te kiezen. (Uitgezonderd dan van nonkel Jan natuurlijk, die zou nog sneller in zijn geliefde bank staan dan dat je de ‘B’ van belegging kan uitspreken. ) Maar oké, de regel moet altijd bevestigd worden.

Enfin, de rest van het familiefeest bracht ik door in een gelukzalige roes terwijl ik nadacht over al de mogelijkheden die dat winnende lot met zich mee zou brengen. Tot het tijd was voor het dessert natuurlijk. Je mag namelijk nooit twee gelukzalige roezen met elkaar vermengen, daar heeft men het woord ‘verspilling’ voor uitgevonden.
Na een korte break, die net iets langer duurde dan gepland omwille van het feit dat Nonkel Jules een tweede stuk taart op mijn bord wist te mikken, had ik in mijn hoofd een top 10 gemaakt die ik hier gerust met jullie wil delen. Je weet maar nooit welke lucky lottowinnende bastard hier wel eens inspiratie kan opdoen.

1. Ik zou Julie Andrews uitnodigen (lees: een som geld aanbieden die niet te weigeren valt) voor een weekendje Salzburg om daar halt te houden bij elke bezienswaardigheid die ook in de Sound of Music voorkomt. Daar zou ik dan, tot in het gênante toe, elke scene bijzonder gedetailleerd naspelen en mijn eigen stem professioneel laten bijkleuren zodat ik in de aftermovie niet in affronten val wegens het niet klinken als een nachtegaal. Dit alles uiteraard in kledij gemaakt uit gordijnen.

2. Ik zou een teletijdmachine laten uitvinden enkel en alleen om de wereld te redden van de vierde Twilightfilm. Niemand, maar dan ook niemand, zat te wachten op een zwangerschapsfilm die daadwerkelijk 9 maanden lijkt te duren.

3. Ik zou aanbieden het begrotingstekort op te lossen, als Bartje er dan voor zou zorgen dat zowel de werk- als schooldag standaard pas begint om 10.30u.

4. Ik zou een vliegtuig laten maken dat volledig uit het materiaal van zo’n zwarte doos bestaat, omwille van het feit dat ik lijd aan panische vliegangst. Ook zou ik een aantal sessies bij een peperdure psycholoog boeken omdat ik maar weiger te aanvaarden dat een vliegtuig het veiligste vervoersmiddel in de wereld is, en ik ben echt niet super simpel.

5. Ik zou J.K. Rowling verplichten de Harry Potterboeken zo te herschrijven dat Sirius Zwarts niet sterft, verschijnselen en verdwijnselen wel mogelijk is op Zweinstein (gewoon om Hermelien te pesten) en dat Fred Wemel, tijdens dat ene cruciale gevecht, sukkelt met een WC-deur die weigert te openen en aan tijdelijk geheugenverlies lijdt zodat hij niet op de allohomoraspreuk kan komen. (Ze hadden verdorie het oor van George al)

6. Ik zou een deel van mijn fortuin schenken aan een goed doel, om mijn geweten te sussen, omdat dat nu eenmaal zo hoort en om in de krant te verschijnen als anonieme weldoener.

7. Ik zou de oscarresultaten zodanig manipuleren dat mijn goede vriend Leo er ook eens met eentje naar huis gaat. Die man verdiende er al een toen hij lag te bibberen in dat koude titanicwater, laat staan toen hij lag te bibberen wegens overmatig drugsgebruik in de Wolf of Wallstreet.

8. Ik zou die teletijdmachine van nr.2 opnieuw instellen en naar de tijd gaan waarin Freddy Mercury nog alive and kicking was. Daar zou ik mezelf bijzonder onpopulair maken door elke spannende date van Freddy te verstoren en, moesten mijn pogingen falen, er voor te zorgen dat er telkens een handjevol condooms ter beschikking zouden zijn. De tekst zou veranderen in ‘too much love doensn’t have to kill you’ en de wereld zou zodanig veel klassiekers rijker zijn, dat ze de top 2000 moeten aanpassen naar 3000 gewoon om anderen ook een kans te geven.

9. Ik zou toch snel even zo’n woonspaarplan gaan activeren, omdat ik nu eenmaal graag het favorietje ben.

10. Ik zou een of ander liefdesserum laten inspuiten bij Javier Bardem, me het hof laten maken in het Spaans, een kleine bitchfight houden met Penelope Cruz en uiteindelijk vijf bambino’s op de wereld zetten plus er nog een paar adopteren, gewoon om Angelina de loef af te steken.

Ah heerlijk toch. Terwijl ik uit mijn gedachten wordt gehaald door mijn ouders, die hun kans schoon hebben gezien om af te druipen zonder dat ze het volgende maandag van mijn grootouders moeten horen, denk ik nog even na over mijn top 10. Misschien moet ik toch ergens een beetje minder egocentrisch denken en écht mensen helpen met mijn miljoenen.

Maar dan bedenk ik mij dat ik helemaal de lotto niet gewonnen heb, die waarschijnlijk ook nooit zal winnen en mijn enige vreugde kan halen uit het verzinnen van waanzinnig egoïstische, soms onhaalbare situaties. Dus mijn top 10 blijft bestaan, ik pas hem wel aan als het ooit zo ver is. Ondertussen blijf ik gewoon proberen de contactgegevens van mevrouw Andrews en meneer Bardem te bemachtigen.

Baat het niet, dan schaadt het niet.

Wat als ik morgen de lotto win?

Het paard van Troje

Een manier om iets heel clichématig van me af te schrijven, leidde tot dit resultaat.
Voor alle helden, het Trojaanse leger telt er ondertussen al wel een aantal.

Het paard van Troje.

Mijn nonkel heeft kanker. Vergevorderd, je kent het wel. Onze wereld bulkt op dit moment van de kankerverhalen. Je kan er amper naast horen. Zoals we vorig jaar het volume nog luider draaiden als Uptown Funk op de radio kwam en het ons ondertussen bijna verveelt, zo heeft kanker zich nu in onze dagelijkse routine genesteld, gedrongen, vastgebeten. Hij heeft zich als een schaduw aan ons gehecht. Hij is er, altijd, we kunnen hem niet van ons afschudden. Slechts als de zon pal boven ons staat en de hoop opleeft, kan het even lijken alsof we hem kwijt zijn, tot die zon weer een beetje zakt en weer licht schijnt op zijn ware gedaante.

Ik zie kanker in onze maatschappij nog het meest als een paard van Troje. De Trojanen, die al een tijd in een heftige strijd verwikkeld zitten met de Grieken, staan plots oog in oog met een reusachtig paard. Een cadeautje, een teken van overwinning, een teken van vooruitgang. Een aantal Trojanen zullen zich wel een beetje achterdochtig opgesteld hebben, maar het euforisch feestgedruis overtuigt hen al snel het paard binnen te halen. Al bij al mag je een gegeven paard toch niet in de bek kijken. Ook wij worden gewaarschuwd voor gevaarlijke stralingen van nieuwe technologieën, de gevaren van roken en de nadelige gevolgen van te veel bewaarmiddelen in ons voedsel. Maar onze euforie is minstens even groot, die I phone 6 is toch fenomenaal? Sterven aan longkanker is toch de ver-van-mijn-bed-show en bio is echt wel geitenwollensokkengezever. Ook zij die heel hun leven lang sporten, gezond eten en hun gsm uitzetten tijdens het slapen, worden continu blootgesteld aan onze zelf gecreëerde hinderlagen. Het paard wordt vlotjes binnengehaald.

’s Nachts als niemand het doorheeft, maar het kwaad al is geschied, sluipen verschillende gluiperige Grieken door onze mooie stad, door onze kathedralen van lijven en ze nestelen zich in elk hoekje dat ze maar kunnen vinden. Ettelijke uren lang kunnen ze hun gangen gaan, ravage aanrichten , zich helemaal uitleven. Tot de Trojanen wakker worden. Het ziet er niet lief uit, even zijn ze van hun sokken geblazen en moeten ze een serieuze klap verwerken. Een fractie van een seconde later komt hun strijdlust naar boven. Het gevecht start, hier en daar een verwonding, af en toe een fikse slag in het gezicht, de vermoeidheid speelt parten maar de Trojanen zijn sterk en de Grieken verliezen in aantal. Na een uitputtende slag wordt er ’s avonds feest gevierd. Bepaalde delen van de stad zijn zwaar beschadigd en het zal een tijdje duren voor die weer heropgebouwd zijn, maar de Grieken zijn verdreven en dat is het belangrijkste.

In de glorieuze nasleep van de overwinning, valt die ene kleine Griek bijna niet te zien. Hij overleefde het slagveld en in een donker hoekje van de stad smeedt hij plannen om de overlevenden van zijn oud leger opnieuw binnen te halen. Troje zal en moet neergehaald worden. Het duurt best wel even, alleen is maar alleen. Maar stukje bij beetje krijgt zijn plan vorm en voor de Trojanen goed en wel hebben kunnen genieten van hun overwinning, staan de Grieken daar terug. Sterker dit keer, langs alle kanten van de stad vallen ze aan. Ze zijn met meer, ze hebben aan kracht gewonnen.

Op dit punt van de oorlog kan het alle kanten uitgaan. Alles hangt af van wie vandaag het meeste geluk heeft, de overwinning kan aan beide partijen toegeschreven worden. Dat de besten mogen winnen. Mijn nonkel is één van de besten, een vechter, een sterke, dappere Trojaan. Maar jammer genoeg hebben de Grieken in het geval van mijn nonkel geleerd uit hun eigen geschiedenis. Zoals hun eigenste held ten onder is gegaan, hebben ze nu bij hem ook zijn achillespees gevonden. Mijn held gaat stukje bij beetje ook ten onder.

Mijn grootse wens op dit moment? Terugkeren in de tijd, de Grieken verbannen naar mars, daar is nu toch water gevonden. Maar dat is mijn naïeve, als –we-maar-konden-toveren-zelve. Mijn tweede grootste wens? Een manier vinden om de achillespees te beschermen, bij iedereen. Zodat alle toekomstige pijlen er gewoon van afschampen.

Het paard van Troje